Huilend liep de kleine kromme man achter zijn rollator. De tranen biggelden over zijn wangen. Zijn kale hoofd keek links en rechts. Het restaurant was zo goed als leeg. Eén ouder echtpaar zat zes tafeltjes verderop tegenover elkaar en slurpte langzaam hun soep naar binnen. Achter de uitgiftebalie van de keuken scharrelde een medewerker rond met een theedoek. De kleine kromme man huilde nu hartverscheurend en haalde zijn neus op.
Een begeleider van de zorginstelling liep kordaat op de kleine kromme man af: ‘Leen! Wat is er nou toch met je?’
‘Ze zijn begonnen zonder mij, ze hebben niets gezegd,’ snotterde Leen.
‘Het kaarten is pas over anderhalf uur, hè, je bent veel te vroeg…’
‘Ja.., maar ze hebben niets gezegd…’
‘Nee, want het is elke week om half twee, Leen, en het is nu twaalf uur.’
De kordate begeleider hielp hem naar een tafel, en gaf hem een kop soep.
‘Leen.’
Aan zijn tafeltje stond een vrouw van achter in de zestig, struis grijs haar, kort geknipt, en een wollen trui aan. Ze was bijna zo rond als ze kort was.
‘Leen, we moeten even praten,’ zei de vrouw.
‘Ja.., we moeten even praten…’ echode Leen. Hij keek haar met een schuin hoofd aan: ‘…Joke…’
‘Joke, van de kaartclub,’ verduidelijkte Joke wie ze was.
‘Ja.., dat weet ik…’
‘Leen, je mag nog meedoen, maar je mag niet verzaken.’ Joke keek Leen doordringend aan.
‘Nee.., niet verzaken… dat mag niet…’
‘Eén keer is oké, maar niet vaker…’ waarschuwde Joke hem.
‘Nee.., niet vaker…’
‘We kijken het nog een maand aan,’ zei Joke.
‘Ik ben van zeventien,’ stelde Leen vast.
‘Wat…?’ vroeg Joke verward.
‘Ik ben van 1917!’
‘Ja, dat weet ik,’ zei Joke.
‘6 juli 1917.’
‘En hoe oud ben je dan nu?’ vroeg Joke, alsof ze een raadspelletje speelde met een kind.
‘Zevenennegentig,’ antwoorde Leen trots, ‘ik ben de oudste hier!’
‘Geweldig, zou oud moet ik nog worden,’ zei Joke.
‘Zevenennegentig…’
‘Leen, er hangt een druppel aan je neus…’ attendeerde Joke hem.
‘Ja.., dat weet ik toch,’ riposteerde Leen ad rem, zonder animo om de druppel van zijn neus te vegen.
Eén voor één rollen de andere leden van de kaartclub het restaurant binnen. Al snel ontstaat er een wagenpark van rollators, die kriskras – maar altijd bij de hand van de bezitters – worden geparkeerd. Twee tafels verder dan daar waar Leen zit, zetten zich de eerste vier klaverjassers aan de tafel. De volgende vier kaartspelers gaan aan de tussenliggende tafel zitten. De laatkomers schuiven bij Leen aan. Joke deelt een pak speelkaarten uit aan iedere tafel.
‘Eerste ronde is klaveren troef,’ zegt Leen.
Zijn drie kaartgenoten knikken instemmend. Ze zijn begonnen.
Sorry, het reactieformulier is gesloten op dit moment.